Het begint met een visie op wonen

Een serie over woningconcepten -2-

Het wonen centraal

Hoe is het zover gekomen dat het aanbod van woningen gedomineerd wordt door techniek en de waan van de dag in de vorm van mode. Tot 1980 is in de geschiedenis van de woningbouw het bouwen van woningen altijd een onderwerp geweest op een visie op de stad, de wijk, de woning, de samenleving en het wonen als maatschappelijk gegeven. Het resultaat hiervan zijn de prachtige stadsuitbreidingen, de tuindorpen, de dertigerjarenwijken en de moderne naoorlogse wijken met uiteindelijk zeer ruime woningen. De opgave voor het wonen was een studie van onderzoek, ontwikkeling en ontwerp. Er werd volop geëxperimenteerd.

Of het nu de Weissenhofsiedlung in Stuttgart uit 1927 betreft of de experimentele woningbouw uit de jaren zeventig van de vorige eeuw in Nederland. En de zogenaamde bloemkoolwijken vormen nog altijd een positief element in deze traditie van kwaliteitsontwikkeling. Maar de afgelopen twintig tot vijfentwintig jaar zijn we met elkaar steeds meer de opgave vergeten en is de projectontwikkeling de dominante factor geworden, met het accent op de actualiteit en minder op de traditie van het wonen en de continuïteit ervan. Door de grote luchtbel in de woningmarkt was alles mogelijk en bestonden er bij wijze van spreken geen grenzen voor de opgave. Alles was verkoopbaar en de mode bepaalde de richting. En nu loopt de luchtballon leeg en staan we met z’n allen weer met beide benen op de grond. De banden met het verleden zijn enigszins verbroken en de traditie bestaat alleen als onderdeel van de bestaande stad.

Misschien is het wel goed dat de trein van de projectontwikkeling, met voortdurend terugkerende tuinkamerwoning, tot stilstand is gekomen. En dat er ruimte is om ons met elkaar opnieuw te bezinnen over de opgave voor de toekomst. Niet het gezin, maar de eenpersoonshuishoudens gaan het overheersende huishoudenstype vormen. Ook de senioren worden een steeds dominantere groep, die niet alleen gevangen kan worden door beugels, domotica en specifieke seniorencomplexen.

Deze nieuwe vragen zijn in eerste instantie dan ook niet te beantwoorden door de traditionele aanbieder. Nieuwe partijen met nieuwe ideeën en nieuwe vormen van onderzoek moeten ruimte krijgen om de mogelijke antwoorden te bedenken. Het wonen en de bewoners moeten daarbij centraal staan en niet de techniek van de koetsenbouwer.

Kaders voor conceptontwikkeling

In het afgelopen decennium zijn er vele markttechnische studies verricht naar de mogelijke ontwikkelingen en wensen in het wonen en is gepoogd een programma op te stellen voor de ontwikkeling van o.a. nieuwe (ruimtelijke) concepten (1). Deze studies hebben nog weinig doorwerking gehad in de ontwikkeling van een (integraal) nieuw aanbod. In die zin zijn de studies vaak ook nog te gefragmenteerd. De komende periode zal erop gericht moeten zijn meer samenhang te zieken in alle deelantwoorden.

Uiteindelijk gaat het om een omzetting naar de fysieke eigenschappen of mogelijkheden van een woning. Zonder een rechtstreekse vertaling van trends naar een vastomlijnd programma te suggereren, zijn wel enkele punten te noemen die een rol spelen bij de ontwikkeling van de woning:

  • Aanwezigheid van twee leefplekken (bijvoorbeeld woonkamer, eetkeuken);
  • Meer evenwicht tussen woongedeelte (bijvoorbeeld begane grond) en slaapgedeelte (bijvoorbeeld verdieping);
  • Vergroten van de ruimtelijkheid van de woning, bijvoorbeeld door toepassen van dubbele deuren, afmeting hal, ‘rond kunnen lopen’, lichttoetreding;
  • Meer ruimte voor eigen identiteit in de woning en het beeld;
  • De schaal van de ‘huiselijkheid’ moet ook in de vormgeving een plaats krijgen.

Natuurlijk spelen er allerlei demografische ontwikkelingen een rol, die de vraag sterk inkaderen. Te denken valt
aan de toename van eenpersoonshuishoudens, de sterke vergrijzing die optreedt en de toenemende behoefte aan
zorg (2).

Tegelijkertijd vormt de nieuwbouw een steeds kleiner percentage van het totale woningbezit. In 1973 werden er ruim
155.000 nieuwe woningen gebouwd op een totaal van circa 4,1 miljoen woningen (4%). Nu, veertig jaar later, worden er circa 50.000 à 70.000 nieuwe woningen gerealiseerd op een bezit van 7,2 miljoen (nog geen 1,0%) Het is dus van groot belang de nieuwbouw juist in te zetten voor die vraag, waarvoor de bestaande woningvoorraad niet aan te passen is. Deze noodzaak is meer dan ooit aan de orde.

De samenhang tussen ruimte

Bij de huidige grondgebonden woningen ligt in de meeste gevallen, wat de oppervlakte betreft, teveel de nadruk op de ruimte van de slaap- en zolderverdieping. De woonverdieping vormt nog geen 40% van de beschikbare ruimte. Deze ruimtelijke opbouw is vooral gericht op gezinnen met twee kinderen, voor wie het aantal slaapkamers doorslaggevend is. Echter bij de verschuiving in het huishoudenstype, met het accent op één- en tweepersoonshuishoudens, moet niet de woning geleidelijk kleiner worden. De woonruimte moet gelijk blijven en de bestaande slaapruimte kan beperkter worden uitgevoerd. Met andere woorden meer kubieke meter voor wonen en minder kubieke meter voor slapen met behoud van de natte ruimten. En natuurlijk blijft ruimte voor hobby’s en thuiswerken in de woning voor bepaalde groepen essentieel in de toekomst. Maar dat wil nog niet zeggen dat alle woningen met ‘strafkamers’ moeten worden uitgevoerd, door de ruimte te klein, niet prettig gesitueerd of verkeerd georiënteerd uit te voeren.

De huidige knelpunten ten aanzien van de woonkwaliteit van de nieuwbouw spreken boekdelen (3). De woningen zijn te hokkerig en het ontbreekt aan allerlei dingen die woningen comfortabel maken (van bergruimte tot de plaats van stopcontacten en de wasbaarheid van ramen). Dit verbaast je des te meer, omdat het al tientallen jaren om identieke tuinkamerwoningen gaat. Dit onderschrijft nog eens dat niet de ‘enge’ bouw- of installatietechniek centraal moet staan, maar het gebruik.

Nieuwe inspiratie

Er zijn uit het bovenstaande verhaal een aantal conclusies te trekken:

  • De ruimteverdeling in de woning moet aangepast worden, meer oog voor wonen, meerdere leefplekken etc.
  • Er moet meer oog voor het functionele detail komen
  • Het beeld moet opnieuw gewaardeerd worden, we moeten af van de look-a-like benaderingen. Maar eigentijdse ontwerpen maken zoals dat ook bij IKEA gebeurt en dat kan klassiek of modern zijn (maar geen ‘bijna’ lijkende kopie).

Dus er moet meer ruimte komen voor nieuwe inspiratie, waarbij gezocht wordt naar het evenwicht tussen stevigheid, functionaliteit en schoonheid (4), in het licht van de levensduur. Voor de schil van de woning heeft dat veelal een andere betekenis dan voor de inbouw en afbouw in de woning. De woning is dus niet statisch, maar beweegt mee met de veranderende eisen in de tijd. En als de woning te klein is, kan er nauwelijks wat veranderen en zal de tijdstermijn altijd kort zijn (5).

Ruimte toekomstwaarden

Dit alles overziend moet er gestopt worden met ‘enge’ concepten voor één doelgroep, zoals studenten of senioren. En moet de ruimte ontwikkeld worden, die zich in de tijd op die onderdelen kan aanpassen, waarnaar behoefte bestaat. Dus niet alles moet flexibel of aanpasbaar zijn, maar het moet gericht zijn op onderdelen die om aanpassing vragen. Men hoeft niet te verwachten dat de uitrusting van keuken en badkamer vijftig jaar meegaat, ofschoon de producten zoals tegelwerk in principe over een dergelijke technische levensduur beschikken. Maar de tijd, de bewoningscyclus en de daarmee gepaard gaande verandering vereisen nu eenmaal een aanpassing. De maat moet passen en voor de rest moet de tijd de ruimte krijgen. Dus nooit te klein bouwen.

Bronnen/verwijzingen
1. Zie o.a.: Voor de ontwikkeling in het wonen zie de studie van de BouwhulpGroep, uitgevoerd in de periode van 2005-2007 en vastgelegd in het rapport: ‘Duurzaam bouwen, renoveren en wonen na 2015’.
Enkele punten, die voor de ontwikkeling van het wonen belangrijk zijn, betreffen:
• Kwaliteit wordt individueel. Voor de kwaliteitsaspecten betekent dit:
– Toegankelijkheid : Scheiding van wonen en zorg
– Bruikbaarheid : Ruimte voor activiteiten van eigen voorkeur
– Ruimte voor wonen : Vraag naar extra ruimte wordt gecompenseerd door kleinere huishoudens (dominantie van een- en tweepersoonshuishoudens)
– Veiligheid/gezondheid : Ventilatie en koeling blijven om oplossingen vragen
– Comfort : Ruimte voor individuele verschillen
– Uitstraling : Badkamer en keuken bepalen dominant wonen.
• De standaardwoning verdwijnt, ofwel het einde van de aanbodgestuurde woningbouw is in zicht.
• Het energiegebruik verdient in het licht van de ontwikkeling in kwaliteit aandacht.
Voor alle concepten geldt, dat ze adaptief moeten zijn aan individueel gebruik. Dit betekent, dat ingespeeld moet kunnen worden op:
– Wisselend gebruik van woning en vertrekken.
– Individuele verschillen in beleving van comfort.
– Individuele gezondheidsgevoeligheden.
– Vermijden van interne overlast.
2. Bij de gemiddelde eengezinswoning in de sociale huursector met kap is circa 38% van de oppervlakte gelegen op de
woonverdieping. Het resterende deel bevindt zich op de eerste verdieping en zolder
3. Knelpunten volgens jaarbeeld 2011 van het VAC in volgorde van belangrijkheid:
– te kleine binnen- en buitenbergingen of ze ontbreken in zijn geheel,
– woningen met kleine en smalle ruimtes zonder overmaat,
– deuren en ramen, zoals verkeerde draairichting, niet wasbaar,
– geen goede indeling van de vertrekken, looplijnen, geen opstelruimte voor kapstok, onlogische plaats voor huishoudelijke installaties etc.,
– ontoereikende woninginstallaties: te weinig XXmogelijkheiden, tocht-/geluidsoverlast, onpraktische plaats wandcontactdozen
Het gaat hier om een nieuwe woning anno 2011
4. Zie Vitruvius, over de bouwkunst
5. IKEA beweegt zich op de markt van studenten (kamers van circa 17,5 m2), hotelkamers en studios (eenkamerwoning) met
een combinatie van woonruimte met inrichting. In het laatste geval is de levensduur met bijbehorende cycli nog korter dan 15 jaar (maar bijvoorbeeld 5 jaar of nog minder)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *