De systeemwoningen in de verdrukking

Een serie over systeemwoningen -2-

Zoals reeds in het eerste artikel ‘Van systeemwoning naar concept: de ogenschijnlijke herhaling’ in deze serie is aangegeven, zijn in de periode 1950-1975 circa 450 duizend systeemwoningen gebouwd (1). In de afgelopen decennia (1990 tot nu) is dit aantal structureel afgenomen door sloop. De inschatting is dat zo’n 20 procent verdwenen is door sloop en dat in de nabije toekomst nog eens zo’n 20 procent dit lot zal ondergaan (2). Dit houdt in, dat de kwaliteitsaanpassing zich zal beperken tot maximaal 60 procent van de gerealiseerde systeemwoningen in het verleden. En hiervan is reeds een substantieel deel structureel aangepakt in de afgelopen tien à vijftien jaar (stel 10 procent). De aandacht zal in de nabije toekomst naar zo’n 200 à 250 duizend systeemwoningen gaan, die om een ingrijpende aanpassing vragen en op die wijze als woning weer een lange periode dienst kunnen doen op de woningmarkt.

Aan de borreltafel hebben systeemwoningen nog steeds een minder positieve klank. Ofschoon de kwaliteit van de woningen in alle opzichten kan concurreren met andere woningen uit deze periode. Zeker in technisch opzicht. Alleen het beeld, dat een duidelijke weergave van de modernistische opvattingen uit die tijd is, roept commentaar op, waarbij voorstanders en tegenstanders onverzoenlijk tegenover elkaar staan.
In een serie artikelen van systeemwoning worden de belangrijkste systemen nog eens tegen het licht gehouden. Gepoogd wordt de potentie te belichten (3).

Roemrijke geschiedenis: een reden voor reflectie

In de periode 1945-1975 is er maatschappelijk een geweldige prestatie geleverd ten aanzien van het huisvesten van de sterk toenemende bevolking in Nederland, die tegelijkertijd gepaard ging met verkleining van de huishoudens. In die dertig jaar zijn er ruim 2,6 miljoen woningen gebouwd, terwijl eveneens de economie in de naoorlogse periode moest worden opgebouwd. Om toch aan die groeiende vraag tegemoet te kunnen komen, zijn er twee belangrijke ontwikkelingen geweest ten aanzien van de te realiseren woningen:
– Een sterke normering ten aanzien van de kwaliteit. Het gevolg is dat de woningen uit de verschillende perioden een grote gelijkenis hebben. Het sprekend voorbeeld is de doorzonwoning, die eindeloos herhaald is. In wezen is dit aan te duiden als projectoverstijgende vraagspecificatie, waarop de markt een aanbod kon ontwikkelen. De uniforme kwaliteit op woningniveau werd nog eens ondersteund door een ‘simpele’ verkavelingsstructuur in de vorm van rechte blokken in verschillende afmetingen.
– De uniformering van de bouwmethoden in bouwsystemen. Ongeveer 15 procent van de nieuwbouwproductie is uitgevoerd in een nauwkeurig vastgelegd bouwsysteem, dat werd toegepast voor duizenden woningen, verspreid over een groot gebied van Nederland. Woningfabrieken stonden (veelal) aan de basis van de productie. De prefabricage zorgde ervoor dat op de bouwplaats de montage een centrale plaats innam. Echter ook voor de overige woningbouw was er sprake van een sterke overeenkomst in de toe te passen techniek. Zeker door de beperking van de variatie in bouwmaterialen was er sprake van een grote mate van gelijkheid.
En nu we voor de opgave staan om deze woningvoorraad opnieuw te beschouwen, is het goed dat er gestart wordt met een ‘goed’ begrip van wat er staat. Dus alle reden om een moment van reflectie in te bouwen, en te kijken wat is er en wat kan ermee gebeuren.

Een negental systemen belicht; een selectie

Alles bij elkaar beschouwd, zijn er in de periode 1948 tot begin jaren zeventig van de vorige eeuw circa zeventig systemen op het toneel verschenen. Slechts de helft ervan heeft enige omvang gehad (meer dan 1000 woningen). Als we de woningen die aan geduid worden met ‘de nieuwe traditie’, gemengd met prefab 1971-1975 buiten beschouwing laten, dan blijven er nog 21 systemen over met in totaal circa 225 duizend woningen (4).
Uiteindelijk worden negen systemen beschreven in deze artikelenserie. Het bouwsysteem wordt daarbij nader belicht. Met andere woorden: Wat zijn de eigenschappen ervan en welke mogelijkheden bieden ze voor de toekomst na kwaliteitsaanpassing (accommoderend vermogen) (5).

Meerdere oplossingen

Het antwoord op de aanpak van dit deel van de woningvoorraad zal niet gericht zijn op uniformering van de kwaliteit, maar op de toenemende vraag naar differentiatie. Niet opnieuw moet bij de start de techniek gaan domineren, zoals zo vaak in het verleden en ook wel bij de huidige nieuwbouw, maar de wensen van de huidige en toekomstige bewoners. Juist de te ontwikkelen en aan te bieden kwaliteit moet uitgaan van de gewenste keuzemogelijkheden en de bijbehorende kwaliteitsdifferentiatie. Niet de techneuten moeten hierbij sturen, maar de vraag uit de markt en de creatieve geesten, die hiervoor nieuwe vraagspecificaties kunnen ontwikkelen met het gebruik als leidraad. Dus niet onderhoud, energie of levensloopbestendig zijn de autonome parameters, maar de integrale kwaliteit met samenhang in het beeld, de functionaliteit en de stevigheid/techniek als richtinggevende elementen. Dus niet één oplossing, maar meerdere oplossingen. Juist in dit licht wordt gepoogd te kijken naar de herpositionering van de systeemwoningen uit het verleden.

Bronnen
1. Van systeemwoning naar concept: een ogenschijnlijke herhaling, Martin Liebregts en Yuri van Bergen, kennisbank BestaandeWoningbouw.nl, 7 juli 2011

Exacte gegevens over het aantal woningen, dat gebouwd is in de categorie van niet-traditionele bouwmethoden in de periode 1946-1975, zijn niet bekend. De inschatting die gemaakt is, is gebaseerd op:
– ‘Niet-traditionele woningbouw in Nederland’, H. Priemus e.a., Rotterdam, 1971
– ‘Woningvoorraad 1945-1975’, R. Lijbers e.a., delft, 1984
– Eigen analyse van de voorraad.
Dit geeft het volgende beeld:

Non-profit sector
Rest* Totaal
– Weinig toegepaste bouwsystemen uit 1948 28.000 10.000 104.000
– Systeembouw van continucontracten 1948-1961 66.000
– Nieuwe bouwsystemen 1960-1970 153.000 40.000 193.000
– Nieuwe traditie, gemengd met prefab 1971-1975 121.000 32.000 153.000
Totaal 368.000 82.000 450.000
* inschatting
Opmerking: Ingeval van de non-profitsector is 27 procent van de woningen uitgevoerd als een eengezinswoning
Voor het totaal is de inschatting 1/3
2. In de afgelopen twintig jaar zijn er jaarlijks gemiddeld 9 à 10 duizend sociale huurwoningen gesloopt. In de periode 2012-2020 is de verwachting dat dit 14 duizend sociale huurwoningen per jaar zullen zijn. Ervan uitgaande dat de systeemwoningen bij de sloop een belangrijke plaats hebben ingenomen van 50 procent, dan zijn er tot 2020 circa 100 duizend systeemwoningen gesloopt (aanname: ruim 20 procent van alle systeemwoningen is in de afgelopen twee decennia verdwenen).
3. De systemen, die behandeld worden in deze serie artikelen, zijn:
– 1 Airey
– 2 BMB
– 3 Coignet
– 4 ERA (of WILMA)
– 5 Korrelbeton
– 6 MUWI/Welschen
– 7 PEGE (of VANEG)
– 8 Pronto
– 9 VAM
Zij omvatten tezamen ruim 150 duizend woningen. Hiermee wordt ruim 1/3 van alle systeemwoningen belicht en bijna de helft van de woningen die in de periode tot en met 1970 zijn gebouwd
4. De 21 bouwsystemen, die in de periode 1948-1970 zijn gebouwd, omvatten circa 225 duizend woningen, ofwel bijna 80 procent van de in totaal gerealiseerde systeemwoningen in die periode. In eerste instantie zal zich hier de aandacht op moeten richten. Over deze woningen moet het verhaal van de kansen, die er liggen voor de systeemwoningen, gaan
5. Het accommoderend vermogen van de Hollandse woning, Martin Liebregts en Jelle Persoon, Kennisbank BestaandeWoningbouw.nl, 14 december 2011

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *